Foto:

Column Jannah Wijffels: Januarigeluid

  Column

Achter het huis van mijn geliefde is een bos. Het is er altijd heerlijk stil. Zowel overdag als 's nachts, dus slapen we met de ramen wijd open; ook in de winter. Het grote voordeel is dat we de vogels goed kunnen horen.

Door de hoge temperaturen deze week begint het bij de gevederden onder ons blijkbaar weer te kriebelen. Voorzichtig proberen de eerste merels hun liedje uit. Heel zacht, bijna fluisterend. Ze zitten ze in een boom of struik, soms bijna op ooghoogte; alsof ze voelen dat je in het begin van het jaar nog niet te hoog van de toren moet blazen. De koolmezen zijn wat onbevangener. Zij fluiten vrolijke liedjes, al zijn het nog korte teksten en ontbreken de fanatieke tonen van het echte voorjaar.

Er zitten ook bosuilen. Het hele jaar rond zijn die wel actief, maar de laatste week nogal opvallend. Ik schrik wakker van een scherpe gil. Duidelijk een noodkreet. Ik lig me dan letterlijk voor te stellen wat er aan de hand kan zijn. Wat wordt hier gecommuniceerd? 'Ik heb die muis te pakken!'? 'Blijf van me af, engerd!'? Of misschien iets in de trant van: ''Waar ben je, kind/mam/pap/schat?'?

De zang van een bosuil is juist heel ingetogen. Het is een van de bekendste uilgeluiden: het begint met een beverig 'oehoehoeoe', dat wordt gevolgd door een vrij lange stilte, dan een heel kort 'oe'-tje, waarna direct een wat langere variant op het eerste ge-'oehoe' volgt maar net zo beverig en onzeker.

Ik vind dit een raadselachtige combinatie van klank, ritme en volgorde. Het tussen-oetje is nooit een vergissing. Het is een essentieel ingrediënt van het liedje waaraan alle bosuilen elkaar herkennen. En laat het begin januari nou net paartijd zijn voor deze dieren.

Meer berichten